Kinderopvangtoeslag is bedoeld voor ouders die werken, en als je een toeslagpartner hebt, moeten jullie allebei werken. Dat heet de arbeidseis. Werkt een van jullie niet, dan kan een opleiding, een traject naar werk of een inburgeringscursus die plek innemen.
Wat telt als werk?
Het gaat meestal om betaald werk waarover je belasting betaalt, met een paar uitzonderingen. Hoeveel uur je werkt, maakt niet uit, dus ook met een kleine parttimebaan van een paar uur per week krijg je toeslag.
Deze situaties tellen als werk:
- Je bent in loondienst, met een vast of tijdelijk contract.
- Je werkt als oproepkracht, flexwerker of uitzendkracht.
- Je bent ondernemer, zzp'er of freelancer.
- Je werkt mee in de zaak van je partner, ook als je daar niet voor betaald krijgt.
- Je bent gemeenteraadslid, of promovendus in loondienst of met een beurs die als inkomen telt.
Vrijwilligerswerk en mantelzorg tellen niet als werk, ook niet als je er een vrijwilligersvergoeding voor krijgt.
Je werkt niet, maar krijgt wel toeslag
Werk je niet, dan kun je in deze situaties toch toeslag krijgen:
- Je volgt een opleiding. Niet elke opleiding telt mee, dus kijk bij Dienst Toeslagen welke wel.
- Je volgt via de gemeente of het UWV een traject om aan werk te komen.
- Je volgt een verplichte inburgeringscursus.
- Je partner werkt wel, maar jij krijgt zorg vanuit de Wet langdurige zorg.
Voor een toeslagpartner die niet werkt, moet ook een van deze situaties gelden. Anders krijg je geen toeslag, ook niet als jij zelf fulltime werkt. Twijfel je, kijk dan bij Dienst Toeslagen, waar ook de regels voor ziekte, zwangerschap en detentie staan.
Hoeveel uur krijg je vergoed?
Tot 2023 hing het aantal vergoede uren af van het aantal uur dat je werkte, maar die regel is op 1 januari 2023 geschrapt. Nu krijg je voor elk kind toeslag voor maximaal 230 uur opvang per maand, hoeveel je ook werkt, zolang je in die maand maar gewerkt hebt.
Je verliest je baan
Stop je met werken, dan houd je nog drie maanden recht op toeslag. Die drie maanden gaan in op de eerste van de maand nadat je gestopt bent. Zo heb je tijd om nieuw werk te zoeken zonder dat je kind meteen van de opvang moet. Na die drie maanden mag je de opvanguren die je dat jaar nog niet hebt gebruikt, opmaken tot het einde van het kalenderjaar. Heb je dan nog geen werk of opleiding, dan stopt de toeslag. Geef het einde van je werk door, zoals uitgelegd bij Dienst Toeslagen, dan voorkom je dat je later geld moet terugbetalen.
Hulp van de gemeente
Voldoe je niet aan de arbeidseis, maar heeft je kind opvang nodig om sociale of medische redenen? Dan kan de gemeente soms bijdragen in de kosten. Dat heet een sociaal-medische indicatie. Elke gemeente heeft eigen voorwaarden, dus vraag ernaar bij je gemeente. Voor peuters regelt de gemeente vaak ook betaalbare peuteropvang voor ouders zonder toeslag.
Wat verandert er?
Het parlement heeft een wet aangenomen waardoor alle promovendi en alle verplichte onderdelen van de inburgering recht geven op toeslag. De Eerste Kamer stemde op 30 juni 2026 in, maar wanneer de wet ingaat, is nog niet bekend.
Vanaf 1 januari 2029 wil het kabinet de toeslag vervangen door een vergoeding die rechtstreeks naar de opvang gaat. Dat wetsvoorstel ligt sinds september 2026 bij de Raad van State. De arbeidseis blijft in dat plan bestaan, en de manieren om eraan te voldoen blijven vrijwel gelijk. Nieuw is dat de overheid vooraf controleert of je recht hebt. Daardoor hoef je achteraf niets meer terug te betalen.
Het kabinet noemt het loslaten van de arbeidseis als mogelijke stap voor later, maar daar is niets over besloten. De Tweede Kamer wil juist het omgekeerde en nam in april 2026 een motie aan om de arbeidseis te houden. In oktober 2026 vroeg ze het kabinet bovendien om uit te zoeken of de eis strenger kan, zodat het aantal gewerkte uren weer meetelt. Dat is alleen een onderzoek, geen besluit. Alle plannen voor de kinderopvang, met per punt hoe zeker ze zijn, staan op Wat verandert er.